Adaptief onderwijs voor iedere leerling

Gepassioneerde wetenschap met praktische output

‘Hoe laat je iedere leerling

zich lesstof eigen maken’

Hoe laat je onderwijs het beste aansluiten bij alle leerlingen? Afgestemd op individuele verschillen? Dat intrigeert zowel prof. dr. Ard Lazonder, als prof. dr. Evelyn Kroesbergen. Schooljournaal neemt hun recente oraties bij hun aanvaarding van het hoogleraarschap aan de Radboud Universiteit onder de loep. Lazonder: ‘Adaptief onderwijs is meer dan e-learning’. Kroesbergen: ‘Labels zoals dyscalculie kunnen afgeschaft.’ 

Door Andrea van Dael - Schooljournaal juni 2018

Hoe speel je als leraar beter in op verschillen in leerlingen? Zodat ook slechter presterende scholieren beter vooruit komen? Dat onderzoekt hoogleraar onderwijswetenschappen, prof. Ard Lazonder, vol passie. Samen met bachelor- en masterstudenten onderzocht hij instructiemethoden voor ‘leren experimenteren/ leren onderzoeken’. Lazonder: ‘De instructiemethoden werkten, maar ongeveer 30 procent van onderzochte leerlingen boekte nauwelijks vooruitgang. Dat is een aanzienlijk deel.’ Hij wil zich in vervolgonderzoek voor effectiever onderwijs vooral richten op deze laatste groep leerlingen. ‘Daar kunnen we praktisch gezien de meeste winst behalen.’ Maar hoe verbeter je de instructies voor deze groep? Lazonder: ‘Via adaptief onderwijs. ‘Adaptief’ betekent: onderwijs dat aansluit bij de verschillende kenmerken, behoeften en mogelijkheden van leerlingen.’

Adaptief onderwijs heeft Lazonders bijzondere aandacht. Hij concludeert uit andere onderzoeken dat adaptief onderwijs effectief kan zijn, maar waarom is onduidelijk. Onderzochte reguliere en adaptieve lesstof verschillen namelijk in meerdere opzichten, dus welk onderdeel maakt deze nou eigenlijk effectief? Lazonder wil daarom per aspect gecontroleerd onderzoek uitvoeren en dat tijdens lessen wetenschap en technologie in de bovenbouw van het primair onderwijs. Hij gaat de invloed van vier pijlers op adaptief onderwijs bestuderen vanuit een raamwerk:  

1 Afstemmen inhoud/ proces/product/ leeromgeving ->

2 Op de leerlingen - wat zijn hun cognitieve kenmerken/ affectieve kenmerken/ gedragskenmerken/ sociale kenmerken + prestaties tijdens leerproces;

3 Hoe vaak/ lang wordt een vak/les afgestemd op individuele verschillen en behoeften?; 

4 Wie bepaalt vorm en inhoud van het leerproces – leraar, leerling, software? 

Lazonder analyseerde al 36 studies naar de effectiviteit van adaptief onderwijs vanuit ditzelfde raamwerk. En stelt voorzichtig de conclusie: ‘Hoe nauwkeuriger men de voorkennis van leerlingen heeft gemeten, met een toets aansluitend bij het leerproces van een leerling, hoe beter adaptief onderwijs werkt. Maar onvoldoende beschreven is nog hoé de leraar zijn instructie of begeleiding aanpaste.’ 

In zijn oratie licht Lazonder zijn onderzoeksvoorstel toe. ‘Allereerst willen we individuele verschillen in onderzoeksvaardigheden verklaren.’  De tweede stap in het onderzoeksvoorstel is ontwikkeling van wetenschaps- en technologieonderwijs, afgestemd op het gemiddelde niveau van de doelgroep. In de derde stap worden deze lessen adaptief, dus afgestemd op individuele verschillen tussen leerlingen. Lazonder: ‘Dat wordt een grote uitdaging, want dat is dus nieuw onderzoek.’ Uiteindelijk moet deze research ook leiden tot concrete aanwijzingen voor leerkrachten in het po voor omgaan met verschillen in de klas. En dan geformuleerd vanuit de vier pijlers uit het raamwerk. Lazonder:  ‘Ik als wetenschapper wil bruggen slaan naar de lerarenopleidingen po, maar ook naar de eerste- en tweedegraads lerarenopleidingen voor het vo.’ 

Ook prof. Evelyn Kroesbergen, hoogleraar Orthopedagogiek, is bijzonder geïnteresseerd in de achtergrond van leerproblemen en de aanpak ervan, zoals bij het vak rekenen. Niet-gemiddelde leerlingen in het primair onderwijs, zoals de zwakste tien tot 25 procent die moeite hebben met rekenen, fascineren haar. ‘Ik ga de komende jaren ontwikkelingspaden onderzoeken die mogelijk tot rekenproblemen leiden. Bevorderende en risico-factoren rondom kind en omgeving in kaart brengen’, stelt ze in haar oratie. 

Kroesbergen is voorstander van afschaffing van labels zoals dyscalculie. ‘Labels zijn niet per se nodig voor een betere signalering en aanpak van leerproblemen en de oorzaken.’ In haar oratie schetst ze dat een diagnose de leerkracht en de leerling van hun plicht lijken te ontslaan hun uiterste best te doen voor de beste ontwikkeling/ resultaten. Kroesbergen vindt dat men veel beter naar de sterke en zwakke kanten van leerlingen moet kijken, zonder direct in diagnoses te denken. ‘In de diagnostiek zou meer nadruk moeten komen op hoe een kind leert, wat daarbij goed of niet goed gaat en wat zijn (relatief) sterke en zwakke kanten zijn.  De behandeling vanuit een orthopedagoog kan aansluiten bij zo’n profiel.’

Kroesbergen juicht het onderzoeksthema van haar collega Lazonder dan ook toe: ‘Adaptief onderwijs ligt steeds meer binnen handbereik. Door techniek kan instructie worden aangepast aan individuele kenmerken.’ Lazonder is ook enthousiast over tablets met software voor taal en rekenen als vorm van adaptief onderwijs. ‘Een goed hulpmiddel voor de leerkracht die in één oogopslag ziet wie door kan naar een moeilijker opgave en wie extra ondersteuning nodig heeft.’ Maar e-learning is volgens hem niet zaligmakend. ‘Onderwijs blijft mensenwerk. De huidige software registreert vooral ‘fout’ of ‘goed’ beantwoord. Maar een som los je bijvoorbeeld in drie fases op. Ik vraag me af of onderwijssoftware ooit diagnoses kan stellen in welke fase een leerling de fout in gaat. Alleen met details over iemands leerproces, kan je onderwijs beter afstemmen op individuele behoeften.’

Kroesbergen heeft overigens ook aandacht voor bovengemiddelde rekenaars. Ze schetst in haar oratie dat er in Nederland maar heel weinig leerlingen het hoogste niveau van rekenen behalen; 4 procent, terwijl dat in Engeland zestien procent is en in Singapore 50 procent. ‘Een gemiste kans dat we geen excellente rekenaars kunnen opleiden. Excellente rekenaars blijken creatiever dan de gemiddelde of bovengemiddelde rekenaars. Er zou wat mij betreft dus meer aandacht moeten komen voor creativiteit in het rekenonderwijs.’ 

Kroesbergen wil samen met Lazonder de invloed van creativiteit op onderzoekersvaardigheden en rekenen onderzoeken. Ze deden een subsidieaanvraag bij NRO.

 

 

Terug naar vorige pagina