Research - Depersonalisatiestoornis

 

LEVEND DOOD

Iemand met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis (MPS) splitst ervaringen af van zijn alledaagse ik. Dissociatie heet dat. Lichtere dissociatieve verschijnselen zoals depersonalisatie, zijn nauwelijks bekend bij burger en wetenschapper. Dat is opmerkelijk, want deze klachten komen veel vaker voor dan MPS.    

Cor voelde zich jarenlang onzichtbaar, een levende dode. Hij zag alles wel, maar beleefde het niet. 'Een filmcamera met 'n stem en 'n lichaam eraan', of: 'in een glazen cabine', of: 'ver weg', beschreef hij zich. Cor zag tweedimensionaal en beleefde geen zwaartekracht. Hij merkte wel vagelijk dat hij een lichaam had, maar dat ervaarde hij alleen door zich erop te concentreren. Jarenlang had Cor het gevoel boven zichzelf 'uit te zweven'. Hij is 26, studeert in Utrecht en krijgt nu dankzij therapie geleidelijk aan greep op zijn klachten.

Een psychisch trauma kan oorzaak zijn van deze zogenaamde depersonalisatiestoornis. Door afsplitsing van een deel van zijn beleving kan iemand psychische pijn beter 'hanteren'. Dit klinkt prettiger dan het is: door de beschermingsstrategie raken vaak alle emoties afgesloten, ook de aangename.

Sinds kort is er ook een chemische verklaring voor gedempte gevoelens bij een onderstroom van angst. Iemand die bang is, maakt bepaalde stresshormonen aan met een verdovende werking. Deze zogenaamde endogene opiaten hebben een verdovende invloed op geest en lichaam. De gedepersonaliseerde patiënt voelt door de verdoving geen terugkoppeling van gevoelens naar zijn bewuste 'ik'. Hij heeft daardoor de indruk los te staan van de eigen mentale processen en van het lichaam. Het is alsof die van buitenaf worden waargenomen. Maar de emoties zijn niet verdwenen, ook al ervaart de patiënt als het ware een vacuüm in zijn binnenste. Sommige personen met deze stoornis getuigen hiervan, want zij krijgen af en toe enorme emotionele uitbarstingen.

Depersonalisatie (verlies van ik-gevoel) gaat vaak gepaard met derealisatie (wereld ziet er onwerkelijk uit).Derealisatie zonder depersonalisatie bestaat ook. De persoon in kwestie voelt zichzelf en zijn lichaam wel, maar de omgeving ziet er ongrijpbaar uit.

EEN GEVOEL VAN VERVREEMDING

Er zijn beschrijvingen van beide symptomen bekend uit de negentiende eeuw. Bijvoorbeeld in een dossier van 1882 van psychiater A. Tellegen, werkzaam op de vrouwenafdeling in de inrichting 'Coudewater' te Rosrnalen. De diagnose 'insania hysteria' van toen is de noemer voor de dissociatieve stoornissen van nu. De Franse psychiater Pierre Janet schonk eind negentiende eeuw de namen depersonalisatie en derealisatie aan de beschreven vervreemdingsklachten. Ook gaf hij als eerste een scherpe beschrijving en verklaring. Janet was feitelijk de pionier op het gehele kennisgebied van dissociatie, het mechanisme achter MPS en de depersonalisatiestoornis. Een citaat van een van de patiënten van de Fransman: 'je suis dans Ie vide, je suis un corps sans âme.'

In de Nederlandse vakliteratuur van de afgelopen twintig jaar is er echter weinig over depersonalisatie en derealisatie gepubliceerd. Zelfs de Nederlandse belangenorganisaties voor patiënten met dissociatieve stoornissen kunnen geen onderzoekscijfers op tafel leggen. De psychotherapeut Ellert Nijenhuis heeft daar wellicht een verklaring voor. Hij is auteur van diverse artikelen over dissociatie en werkzaam in het Algemeen Psychiatrisch Ziekenhuis in Drente en bij de Vakgroep Psychiatrie in Amsterdam. Hij vertelt dat in de praktijk de klachten vaak zijn ingekaderd in andere klachten als depressie, paniekaanvallen en obsessies. De gevoelens van vervreemding zijn dan eigenlijk een bijkomende klacht.

Depersonalisatie kan ook overlopen in een psychose, of onderdeel worden van een ingewikkelder dissociatieve stoornis als MPS. Het gedissocieerde, afgesplitste deel ontwikkelt zich dan als het ware tot een eigen identiteit met een eigen ik-bewustzijn. Volgens onderzoek uit 1975 komen depersonalisatie en derealisatie voor bij zestig procent van de borderline-patiënten en veel vaker bij schizofrenen.

Cor had dit alles ook wel eens gehoord. Hij was dan ook vaak bang 'gek' te worden. Maar nee, hij merkte dat hij alles op een rijtje had. Bij Cor was depersonalisatie dus geen bijkomende klacht. Omdat deze chronisch aanwezig was, kreeg de klacht de stempel depersonalisatiestóórnis. Cor vond het eigenlijk vreemd dat hij gewoon kon blijven doorfunc- tioneren, zij het in een rustiger tempo, op een lager niveau en onder hoge spanningen. De jongen kwam op de buitenwereld vrij normaal over. Hooguit een beetje gemaakt en vaak afwezig. Uitbarstingen had Cor wel eens, maar dan binnenshuis of  bij zijn therapeut. Eénmaal trapte hij de deur van diens spreekkamer in.

Depersonalisatie kan ook bij 'normale' mensen tijdens tegenslagen ontstaan. Bij levensbedreigende gevaren zoals een auto-ongeluk, verkrachting, evacuatie, oorlog of natuurramp zijn kortdurende gevoelens van onwerkelijkheid heel normaal. Volgens Nijenhuis kan het afsplitsingsmechanisme een overlevingsfunctie hebben, passend in de evolutie van de mens. Hij bedoelt: iemand raakt bij gevaar niet in paniek, maar verdoofd waardoor de persoon rationeel, ontdaan van emotie, kan handelen. Pas daarna dringt het gebeurde, met de bijbehorende gevoelens tot hem door. Hoe langer dit mechanisme wordt gehanteerd, bijvoorbeeld in een oorlog, des te chronischer is waarschijnlijk de depersonalisatie die volgt. Chronische depersonalisatie komt relatief veel voor bij concentratiekampoverlevenden. Gevoelens van vervreemding kunnen ook ontstaan door grote vermoeidheid, slaapgebrek, overgevoeligheid voor prikkels of frustratie. Ook schijnt chronische depersonalisatie volgens vakliteratuur veelvuldig voor te komen in bejaardentehuizen, misschien door verveling, een gebrek aan prikkels.

Cor gelooft dat zijn depersonalisatie vooral gepaard ging met angst voor beleving. Hij heeft in zijn jeugd nooit normaal leren omgaan met emoties. Zijn ouders hadden dag in dag uit laaiende ruzies en zijn vader leerde hem dat het in het leven om 'presteren' gaat. Cor leefde dus van baby af aan onder spanning. Na de scheiding van zijn ouders, toen hij elf was, deed zijn moeder er nog een schepje bovenop. Zij leerde hem dat je over nare emoties heen kunt stappen. Moeder had hier zelf baat bij, maar Cor was daar emotioneel nog niet aan toe. Hij werd bang voor emoties, zowel voor de positieve -seksualiteit en genegenheid- als de negatieve. Hij leerde hoe hij met zijn verstand macht kon krijgen over zijn emoties. Als hij een geluksgevoel had, dacht hij 'doe niet zo soft' en als hij zich rot voelde 'stel je niet aan, er zijn wel ergere dingen, zoals de armoede in de Derde Wereld'. Dan werd het aanvankelijke gevoel vervangen door leegte of hevige schuldgevoelens. Op zijn zeventiende raakte Cor zijn 'ik' kwijt en werd hij 'een filmcamera'.

STAPSGEWIJZE VERWERKING

Nijenhuis heeft de indruk dat de depersonalisatiestóórnis meestal zijn wortels vindt in de jeugd. Door traumatische gebeurtenissen en/of emotionele verwaarlozing. Hij vergelijkt het verlies van iemands gevoel van het 'zelf' met het verlies van iemands jeugdige spontaniteit. In therapieën met gedepersonaliseerden creëert hij allereerst een veilige sfeer. De patiënt moet weten dat hij op de therapeut kan bouwen, de therapeut op zijn beurt kiest een middenweg tussen afstand en betrokkenheid. Nijenhuis zoekt in het expressieloze gezicht van de gedepersonaliseerde tekens van de gevoelens daarachter. Daar spreekt hij de patiënt op aan. Langzaamaan ontdekken patiënt en therapeut de oorzaak van de depersonalisatie. Nadat de therapeut de weerbaarheid van de patiënt heeft vergroot, begint de verwerking van trauma's of verwaarlozing door geleidelijke toelating van emoties als pijn. Of de therapeut leert de patiënt omgaan met gevoelens en contact toe te laten. Ook een combinatie van beide behandelvormen komt voor. Dit alles gebeurt stapje voor stapje. Nijenhuis hamert op het belang van stapsgewijze verwerking, omdat de patiënt bij een te snel tempo in een crisis kan raken of weer helemaal dichtklapt. De therapeut stimuleert de patiënt tegelijkertijd tot een gestructureerd leven met contacten met anderen.

In het geval van Cor borrelde het gevoel langzaam weer op. Hij leerde onder hypnose dat hij zich van kindsafaan schuldig en verantwoordelijk had gevoeld. Cor was het lieverdje van zijn vader en had het dus objectief gezien het beste thuis. Hij voelde zich hierover schuldig ten aanzien van zijn broer en zus en 'besloot' dat hij altijd vrolijk, leuk en probleemloos moest zijn. Plotseling verongelukte Cors broer hetgeen zijn schuldgevoel versterkte. Hij vond dat hij dood had moeten gaan en niet zijn broer. Dat gevoel van er niet mogen zijn, werd vertaald in het onderdrukken van wensen en verlangens. Cors bestaansrecht was het anderen naar de zin te maken. De hypnotherapeut hielp hem van zijn schuldgevoel ten opzichte van zijn broer af, en leerde hem assertiever worden, verdriet ervaren en een eigen plaats op te eisen.

ONTWAKEN UIT EEN WINTERSLAAP

Al in 1975 wees de hoogleraar Verbeek erop dat onbekend was of korte en chronische depersonalisatie en derealisatie slechts in duur of ook in kwaliteit verschilden. Twintig jaar later bestaan er nog steeds evenveel vraagtekens over depersonalisatie en derealisatie. Kloppen de uitlatingen van sommige wetenschappers dat hormonale veranderingen in een levensloop de oorzaak kunnen zijn? Komt het vaak voor? (Volgens de psychiater Ingenhoven komt het in lichte en zwaardere mate voor bij 30 tot 70 procent van 'normale' jong-volwassenen).

Hoe zit het demografisch? En: speelt aanleg of erfelijkheid wat dit laatste betreft een rol? Nijenhuis denkt van niet. Als de klachten bij ouder en kind voorkomen, ligt de oorzaak volgens hem in de voorbeeldfunctie van de opvoeder. Volgens de psychiater Le Coultre speelt persoonlijkheid een rol. Gedepersonaliseerden zijn namelijk vaak mensen die gevoelens bagatelliseren. Ook nu weer oppert Nijenhuis dat dit niet aangeboren, maar aangeleerd gedrag kan zijn.

Weer voelen is als ontwaken uit een winterslaap, legt Cor uit. Alles krijgt ineens weer kleur en glans. Seizoenswisselingen dringen door; er is weer beleving van verleden, heden en toekomst; geluiden kloppen bij beelden en er zijn eindelijk seksuele gevoelens. Als een kind ontdekte Cor het leven weer. Hij vertelt bijvoorbeeld hoe hij een keer tranen in zijn ogen kreeg van de sfeer van rode knipperlampen en geklingel bij de spoorbomen. Cors omgeving kreeg dus weer betekenis. Mensen kregen waarde, spulletjes riepen gedachten op. Hij werd spontaner en expressiever. Hij kreeg een vriendin en werd zich door de vertrouwensband en het lichamelijke contact steeds meer bewust van zijn lichaam en gevoelens, en daarmee ook van zijn zelf. Zijn klachten zijn sterk verminderd. Zijn ogen lichten op wanneer hij hoort dat depersonalisatie en derealisatie uit de schemer te voorschijn komen. Niet alleen dankzij publicisten, maar ook door onderzoekers in het buitenland. De afdeling Psychiatrie van de 'Mount Sinaï School of Medicine' in New York doet momenteel grootscheeps onderzoek naar patiënten met de depersonalisatiestoornis volgens het DSM-IV-handboek. En onlangs werd bekend dat de in de hersenen aangemaakte stof ketamine onwerkelijkheidsverschijnselen oproept, wat bleek uit reacties van gezonde proefpersonen.

Erkenning is volgens Cor belangrijk voor hen die last krijgen van de klachten, of voor mensen die er al jarenlang al dan niet bewust onder lijden. Enkele mensen met depersonalisatie zullen volgens Cor te horen krijgen dat ze 'depressief' zijn, terwijl depressiviteit - niets meer willen, naar de dood verlangen - volgens hem geen hoofdsyndroom is, maar een gevolg van het gevoel levend dood te zijn.

Psychologie Magazine Andrea van Dael

Terug naar vorige pagina