Analyse/nieuws-Knelpunten in handhaving asbestsanering

Ondanks de bekende gevaren van inademing van asbestvezels gebeuren nog steeds veel asbestsaneringen malafide en onveilig. Het certificeringssysteem schiet bewezen te kort en ook handhaving vanuit de wet milieubeheer door gemeenten kan beter. Onderwijl wil de overheid dat in 2025 alle daken asbestvrij zijn.

Door Andrea van Dael, vakblad Afval!

In 2013 werden in totaal 647 inspecties in de gecertificeerde asbestsector uitgevoerd, cijfers van 2014 zijn nog niet bekend. In totaal werd voor 1,9 miljoen aan boetes opgelegd. Bij inspecties in 2012 werd nog bij 70% van de geïnspecteerde saneringslocaties wetsovertredingen geconstateerd, in 2013 is dat percentage iets gedaald naar 61%. Maar het aantal opgelegde sancties door gecertificeerde instellingen bleek in 2012 gehalveerd en de instellingen zouden volgens de Inspectie van SZW ‘te weinig zien’ bij controles. Certificering is dus geen waarborg voor veilige asbestsanering en bescherming van werknemers tegen kankerverwekkende asbestvezels. En toch koos het ministerie van SZW voor zelfregulering door de branche, binnen de wetgeving. Het ministerie van SZW wil dit systeem ook zou houden, geeft de woordvoerder van de minister aan.

Het certificaat dat sloopbedrijven verplicht moeten hebben voor asbestverwijdering, komt via een commerciële controlerende instelling, een certificerings- en keuringsinstelling (CKI). Deze kan een certificaat intrekken als gevolg van ernstige geconstateerde afwijkingen zoals gesjoemel met sanering en slordig slopen. Maar zo’n intrekking blijkt in de praktijk een wassen neus.  Een sloopbedrijf kan bijvoorbeeld na bekendmaking dat zijn certificaat wordt ingetrokken, via een nieuw rechtspersoon tijdig bij een andere CKI een nieuw certificaat voor asbestverwijdering verkrijgen en malafide doorwerken. Minister Asscher van Sociale Zaken erkende in oktober dat er asbestsaneerders  zijn die gebruik maken van deze ‘mazen in de wet’. Hij stelde na Kamervragen dat CKI’s certificatieschema’s verschillend interpreteren, ofwel de regels op grond waarvan certificaten worden verleend of ingetrokken. Hij gaf aan snel aanpassingen in de certificatieschema’s te willen realiseren. ,,Inmiddels heeft de Inspectie van SZW afspraken gemaakt met beheersstichting Ascert, verantwoordelijk voor de certificatieschema’s, en de verschillende CKI’s”, aldus Ivar Noordenbos, woordvoerder van minister Asscher van Sociale Zaken. Volgens hem hebben Ascert en het ministerie van SZW maatregelen vastgesteld die voor de zomer dienen te zijn doorgevoerd.  ,,Gedacht wordt aan meer specifieke informatie-uitwisseling tussen Inspectie SZW, Ascert en de certificerende instanties. Als CKI’s beter informatie uitwisselen kun je dit soort praktijken voorkomen.“ Ondertussen worden nieuwe aanvragen van certificaten extra gemonitord.

Streven naar een verbeterde informatie-uitwisseling, bijvoorbeeld over overtredingen, is koren op de molen van minister Kamp van Economische Zaken. In januari schreef hij in een brief aan de Tweede Kamer dat ‘Overheidstoezicht en certificatie zo goed mogelijk op elkaar moeten aansluiten. Certificatie kan het toezicht niet vervangen.’  Dat op grond van signalen over samenwerking met certificeerders van alle drie toezichthouders: de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, Inspectie Leefomgeving en Transport en de Inspectie SZW. Asbestspecialist Gerwin Lensink van RIR Nederland ziet in deze brief vanuit Economische Zaken impliciete kritiek op de werking van het certificatiestelsel en de controle daarop van overheidswege. Lensink heeft de indruk dat de politiek sinds twee jaren de knelpunten in de ketenaanpak in de asbestsector beter in het vizier heeft. ,,Er is volgens mij inzicht dat beheersstichting Ascert,  onder wiens regie afspraken met CKI’s worden gemaakt, wellicht ook eigen belangen heeft die misschien niet altijd overeenkomen met die van volksgezondheid en milieu. Daardoor is er ook een spagaat: de landelijke overheid wil de asbestbranche beter aanpakken, maar stuit op te weinig committment vanuit de markt.” Ook zitten de CKI’s die aanvragen voor certificatie door asbestsaneerders in behandeling nemen, volgens hem niet op één lijn.  ,,Al eerder beloofde SZW aanpassing van de regels voor asbestcertificaten. Ik hoop dat regels en wetgeving nu echt worden aangescherpt.”

In  het signaal vanuit de drie rijksinspectiediensten staat dat vermoed wordt dat certificerende instellingen in de asbestinventarisatie- en verwijderingsbranche ‘terugschrikken voor de consequenties van het intrekken van certificaten’ en dat CKI’s ‘hebben aangegeven tegen juridische problemen aan te lopen bij het opleggen van maatregelen’.  Volgens Noordenbos, woordvoerder minister Asscher, kan zelfregulering door de branche toch goed werken. ,,We vertrouwen de CKI’s, anders zouden we hier niet mee doorgaan. De sector zelf heeft het beste zicht op wat er nodig is. ” Noordenbos tekent daarbij aan dat de asbestbranche zelf ook belang heeft bij een beter imago en dus betere informatie-uitwisseling. ,,Zelfregulering moet je zien als een dynamisch proces. Als er mazen in de wet worden gevonden, wordt meegenomen of arbowetgeving moet worden aangepast. En er zal worden gekeken naar genoemde juridische belemmeringen.” Overgaan op een gewoon vergunningstelsel zou volgens hem ook niet haalbaar zijn. ,,Dan heeft de inspectie veel meer capaciteit nodig.”

Lensink van RIR Nederland pleit juist voor meer budget voor meer inspecteurs in plaats van een terugtredende overheid. ,,Twaalf SZW-asbestinspecteurs is veel te weinig voor de controle op de naleving van arbo-regels. Er zijn 330 saneerders en meer dan 100 inventarisatiebureaus, dus de pakkans is minimaal.” De inspectie SZW geeft aan niet meer inspecteurs in te zetten. Er wordt veel verwacht van versterking van samenwerking tussen de Inspectie van SZW, ILT, Regionale Omgevingsdiensten, milieupolitie en gemeentelijke toezichthouders van bouw en woningtoezicht. De inspectie van SZW merkt al dat de samenwerking en informatie-uitwisseling werkt; in 2013 zijn twee keer zoveel asbestsaneerders aangepakt als daarvoor. Vooralsnog blijkt dat echter nog maar dertig procent van de gemeenten toezichtstaken op het gebied van asbest door omgevingsdiensten laat uitvoeren. Lensink vindt de versterkte samenwerking positief, maar geeft aan dat ook hier geld knelpunt is: ,,De kennis van asbest bij gemeenten is onder de maat. En voor scholing is ook weer te weinig budget.”

De inspecteurs maken met succes steeds meer gebruik van zwaardere recidive instrumenten, waaronder hogere boetes en ook de waarschuwing voor stillegging. De Inspectie verwacht ook dat er een preventieve werking uitgaat van de publicatie van asbestovertredingen/boetes op hun eigen website, wat sinds afgelopen augustus gebeurt. Ook  het landelijk asbest volgsysteem lijkt goed uit te pakken. Het asbestinventarisatiebedrijf moet verplicht in dit systeem aangeven waar asbest zit en na een asbestsanering moet worden geregistreerd waar het asbest is verwijderd en wanneer het asbest naar de stortplaats is gegaan. Zo kunnen handhavers  de stand van zaken per asbestlocatie zien en controleren of aan de verplichtingen voor verwijdering van asbest is voldaan. De Inspectie SZW ziet tot tevredenheid dat het aantal reguliere saneringsmeldingen door gecertificeerde bedrijven de afgelopen jaren bijna is verdubbeld, ondanks een daling van bouwprojecten. 

Volgens Edwin Zoontjes, branchesecretaris bij VERAS ,Vereniging voor Aannemers in de Sloop, waar zestig tot zeventig asbestverwijderingsbedrijven zijn aangesloten, zijn de lik-op-stuk boetes van de Inspectie SZW afschrikwekkend voor veel bedrijven. Volgens hem klopt het imago dan ook niet dat er grootschalig illegaal wordt gesaneerd. ,,Integendeel, ik zie dit als incidenten, zie ook sloopgids.nl.” Hij vindt dat de overheid op twee benen hinkt en asbestverwijdering onnodig duur maakt. ,,Ik begrijp niet waarom er nog steeds een stortbelasting is. Saneringen worden al steeds duurder, onder meer door aangescherpte grenswaarden waar werknemers aan mogen worden blootgesteld.” En dan de afvalbelasting van 13 euro per ton extra. ,,Deze kostenverhoging vormt misschien net de laatste druppel die leidt tot de keuze voor illegale afvoer. Elke euro telt. Wij opteren voor complete afschaffing, zoals in 2012. Door het incident in Roermond is het gevaar van vrijgekomen asbest weer eens op het netvlies gekomen. Dus hoe meer sanering en afvoer van asbestdaken hoe beter. En zo min mogelijk illegale afvoer.”  Hij hoort uit de markt dat projecten waarin sloopwerk en asbestsanering gecombineerd is sinds de invoering van de belasting vaker onder de marktprijs worden aangenomen. ,,Ik weet niet of dit een keihard oorzakelijk verband betreft. Er kunnen meer oorzaken zijn voor het gunnen van sloopwerken onder de marktprijs. Wat ik hierover wel kan zeggen is dat de netjes werkende bedrijven niet altijd de aanbestedingen winnen .”

VERAS gaat de effecten van de stortbelasting op verwerking van asbest volgen. In het voorjaar verwachten ze de eerste cijfers van aangeboden asbesthoudend materiaal. ,,Als er een verlaging is van het aanbod bij de stortplaats, vermoeden we dat het afval vaker een illegale weg heeft gevonden. Als het tientallen procenten is, zal het kabinet ook gaan ingrijpen en vermoedelijk alsnog kiezen voor vrijstelling op grond van een bepaling in de Wet Belasting op Milieugrondslag.” Hij vindt de stortbelasting ook haaks staan op subsidieregelingen zoals MIA en VAMIL die asbestsanering juist fiscaal faciliteren.

Anton Reef van Twee “R” Recycling Groep B.V. tekent de keerzijde van strenge regel- en wetgeving. Net als anderen in het veld vindt hij het streven van de overheid om alle asbest van daken te krijgen, ofwel vervanging van 130 miljoen m2 asbestdaken, niet realistisch. De Tweede Kamer heeft in juli 2014 besloten om een verbod op asbestdaken vanaf 2024 in te stellen, waarvoor wetgeving wordt voorbereid. Reef: ,,Door de strenge en steeds veranderende wet- en regelgeving, bijvoorbeeld rondom grenswaardeverlaging, werkprocedures en administratie,  zullen er niet veel nieuwe saneerders bijkomen. Alleen de saneerders die er nu al zijn, zullen zich er op kunnen aanpassen als ze de wil hebben. Maar dan zijn er te weinig handen om zoveel asbestdaken te vervangen.”

Reef zelf richt onderwijl zijn pijlen op een denatureringsfabriek, waarvoor hij eindelijk een investeerder heeft gevonden. Daarin wordt asbest omgezet in vulstof voor granulaat  en cement voor de cement- en asfaltindustrie. Grote angel was onduidelijkheid vanuit het ministerie van Infrastructuur en Milieu of de denatureringstechniek zou voldoen aan alle milieu- en recyclingeisen. Afgelopen december kwam na twee jaar lobbyen de verlossende schriftelijke verklaring van het ministerie: er wordt aan alle eisen uit het landelijk afvalbeheerplan (LAP 2) voldaan en daarom volgt een wettelijk stortverbod, metéén zodra de fabriek operationeel wordt.  ,,Voor de investeerder, die nog niet met zijn naam naar buiten wil komen, is een groot risico weggenomen. “   Het  acceptatietarief is definitief vastgesteld op 175 euro per ton, zoals in het LAP 2 is beschreven en er zal minimaal driekwart van het aangeboden aanbod van asbestcement moeten worden verwerkt in de denatureringsfabriek.  Een wettelijk stortverbod heeft grote financiële gevolgen voor stortplaatsen in heel Nederland. 

Naschrift: Anton Reef kreeg de financiering niet rond en heeft inmiddels de techniek verkocht aan Infestos Holding in Enschede, die voor de bouw van een verwerkingsfabriek het oog heeft laten vallen op het XL Businesspark bij Almelo.

 

 

Terug naar vorige pagina